D. J. Korteweg

Het bloeitijdperk der wiskundige wetenschappen in Nederland

Redevoering uitgesproken op den jaardag der Amsterdamsche Universiteit den 8sten Januari 1894

(De tekst is overgenomen uit het exemplaar in de Universiteitsbibliotheek Utrecht. De Franse passages, die Korteweg onvertaald laat, zijn hier voorzien van een Nederlandse vertaling; verder is de oude Nederlandse spelling gehandhaafd. Paginanummers zijn aangegeven als [p. 2], voetnoten met [1], [2], enz. Door op het getal te klikken verschijnt de tekst van de voetnoot.)

Geachte Toehoorders!

Het is eene bekende zaak, dat in de 17de eeuw het Nederlandsche volk niet alleen heeft uitgeblonken door zijne voortreffelijke schilderschool en door de geestkracht in handels-, oorlogs en staatkundig bedrijf ontwikkeld, maar dat ook op allerlei ander gebied die zeventiende eeuw voor Nederland een bloeitijdperk is geweest. Niet het minst geldt dit van de wiskundige wetenschappen.

Toch ontbreekt het - en dit is te betreuren - hoewel vele bouwstoffen [1] verzameld zijn, aan eene doorlopende geschiedenis van de ontwikkeling dier wetenschappen in Nederland. Niet dat het den grooten mannen dier dagen aan waardering falen zoude - het tegendeel is het geval - en wellicht ware aan hun roem, ieder op zichzelf, slechts weinig toe te voegen, maar het onderling verband, het organisch geheel, kan op geene andere wijze in het volle licht worden gesteld.

Zonder nu in het minst er aanspraak op te willen maken deze leemte aan te vullen, meende ik toch van de gelegenheid, die mij geboden wordt, om op dezen herinneringsdag der Doorluchtige Schole, welke aan hetzelfde tijdperk haar oorsprong dankt, tot u te spreken, geen beter gebruik te kunnen maken, dan door u eenige oogenblikken over dien bloeitijd der wiskundige wetenschappen te onderhouden, daarbij trachtende zooveel mogelijk het onderling verband te doen uitkomen. Moge uwe welwillende aandacht mij vergezellen en mijne tekortkomingen verschoonen.

Het tijdperk, waarover wij handelen zullen, vangt aan omstreeks het jaar 1580 met de komst van SIMON STEVIN in Noord-Nederland. Reeds is dan de "Renaissance" een goed eind voortgeschreden, en heeft op elk gebied nieuw leven gewekt. Wat de oudheid aan wis[p. 2]kundige kennis bezat, is voor een groot deel op nieuw toegankelijk geworden, en heeft een reeds vruchtbaar huwelijk gesloten met de volmaaktere rekenkunde en algebra, welke den langen weg uit Indië, sinds eenigen tijd, heeft afgelegd. Ook in de toegepaste wetenschappen begint men het standpunt der ouden voorbij te streven.

Toch kleeft aan dat alles nog veel gebrekkigs aan. Van het rekenen met tiendeelige breuken zijn nog slechts de eerste aanduidingen voorhanden. De algebra heeft zich nog niet in het haar passende gewaad gestoken en de algemene begrippen, die hare levensbeginselen zijn, ontwikkelen zich slechts traag en moeilijk. De mechanica wacht nog op STEVIN en GALILEÏ. Alleen de astronomie heeft reeds reuzenschreden vooruit gedaan. Hare waarnemingskunst wordt door TYCHO BRAHE tot eene bij de ouden ongekende hoogte opgevoerd, van hare theoretische ontwikkeling heeft COPERNICUS reeds den grondslag gelegd, waarop KEPLER en NEWTON zullen voortbouwen.


Een zeer internationaal karakter bezit de wetenschap der zestiende en zeventiende eeuw. De Latijnsche taal draagt er het hare toe bij - toch is zij geene alleenheerscheresse. STEVIN schrijft het meerendeel zijner werken in voortreffelijk Nederlandsch, DESCARTES in het Fransch, GALILEÏ zijne beroemde "Discorsi" grootendeels in het Italiaansch. Latijnsche vertalingen voorzien dan echter na korter of langer tijd in de behoefte der buitenlanders.

Akademies van wetenschappen, nationale brandpunten van wetenschap, die den persoonlijken omgang der geleerden bevorderen en concentreeren, en tot eene nationale organisatie der wetenschap aanleiding geven, beginnen zich eerst omstreeks den aanvang der tweede helft der zeventiende eeuw overal, in Italië in Duitschland, in Engeland, in Frankrijk te ontwikkelen. Daarentegen kenschetst zich het leven van vele geleerden der zestiende en zeventiende eeuw door langdurige reizen en verplaatsingen naar verre landen. DESCARTES, MERSENNE, GREGORIUS à SAN VINCENTIO, TYCHO BRAHE, KEPLER, het zijn allen zulke zwervers.

Om bij Nederland te blijven, SIMON STEVIN vestigt zich eerst na een langen zwerftocht door Pruisen, Polen en Scandinavië in Noord-Nederland. De jeugdige WILLEBRORD SNELLIUS, zoon van den eersten [p.3] Leidschen hoogleeraar in de Wiskunde, reeds op negentienjarige leeftijd, door tusschenkomst zijns vaders, met een college belast, vraagt ontheffing daarvan wegens zijne jonge jaren, en blijft dertien jaren in het buitenland, waar hij ADRIAAN van Rome, TYCHO BRAHE en KEPLER kennen leert. JACOB DE WITT en CONSTANTYN HUYGENS, en zoovele andere voorname Nederlanders, beschouwen een vrij langdurig oponthoud in het buitenland, voor de opvoeding hunner zonen een noodzakelijk vereischte, en het is bij gelegenheid dier herhaalde verblijven in Engeland en Frankrijk, dat CHRISTIAAN HUYGENS kennis maakt met de oprichters der Royal Society en met de mannen met wie hij (1665) aan de oprichting der Parijsche Akademie van Wetenschappen deelnemen zal.

Slaat men, omgekeerd, het Leidse Album Academicum dier dagen op, bijv. voor het jaar 1645, dan ziet men dat van de ongeveer vijfhonderd studenten, die toen ingeschreven werden, bijna de helft (48 pCt.) uit vreemdelingen bestond, en daaronder uit Denemarken, uit Hongarije, uit Bohemen, een Griek, een Syriër, vele Engelschen, Polen en Pommeranen.

Mede stellig tengevolge dier veelvuldige reizen, en de persoonlijke aanraking, die zij mede brachten, verbond eene uitgebreide correspondentie de geleerden van geheel Europa, en vergoedde ten deele het gemis van wetenschappelijke tijdschriften; waarvan de eersten, het Journal des Scavants en de Philosophical transactions, in 1665 verschijnen. Ten bewijze zoude ik de wetenschappelijke correspondentie van CHRISTIAAN HUYGENS kunnen aanhalen, die uit meerdere duizenden brieven uit vele oorden der beschaafde wereld bestaat; maar HUYGENS was niet eenmaal een trouwe schrijver. Ten deele uit wijs beleid, ten deele uit een aangeboren traagheid, waarover hij menigmalen klaagt, hield hij slechts de gewichtigste zijner correspondentiën aan, en liet de overigen glippen, of weigerde ze te beginnen. Getuige bijv. de Pool LUBINIETZKY, die zijn lijvig boek over kometen met brieven van 54 geleerden wist te versieren, maar over wien HUYGENS aan zijn broeder schrijft: " Le Polonnois, qui persecute Monsieur HEINSIUS et moi par luy, est un pedant qui fait un livre qui ne vaudra guère, et touchant lequel Je ne scaurois luy rien dire qui le doive contenter, car je ne voudrois pas le flatter parce que je prevois qu'il fera imprimer ma lettre." (De Pool, die Meneer Heinsius achtervolgt, en mij via hem, is een pedant die een waardeloos boek schrijft. Daarover zou ik hem niets weten te zeggen dat hem tevreden zou stellen, want ik wil hem niet vleien, omdat ik voorzie dat hij dan mijn brief zal laten drukken.) [2]

Andere pennevoerders waren er echter, die hunne correspondentiën zorgvuldiger aankweekten, en ware middelpunten vormden, van waaruit het wetenschappelijk nieuws zich verspreidde. Zoo bijv. pater MERSENNE, de trouwe vriend van DESCARTES, wiens haastig geschreven, bijna onleesbare brieven de geleerden zijner dagen verbonden, en die de eerste was om onzen CHRISTIAAN HUYGENS in die wereld in te leiden.


Wij keeren thans terug tot SIMON STEVIN. Te Brugge, in 1548, geboren, aanvankelijk voor den koophandel opgeleid, boekhouder en kassier op een der voornaamste koopmanskantoren van Antwerpen, verlaat hij, waarschijnlijk onder den druk van ALVA's bewind, Zuid-Nederland, om na vele omzwervingen, omstreeks 1580, te Leiden aan te komen. Hier voelt zich de jeugdige Prins MAURITS, twee jaar later als Leidsch student aangekomen, tot hem aangetrokken, kiest hem tot zijn leermeester in de wiskundige wetenschappen, en weet hem later (1603) als "ingenieur, afsteker van de quartieren ende anderzins, nadat zijne Excellentie hem zou gelieven te employeren", blijvend aan zich te verbinden.

Hoofdzakelijk in tweeërlei opzicht heeft zich STEVIN groote verdiensten jegens de wetenschap verworven. Vooreerst door de uitvinding en invoering van het rekenen met tiendeelige breuken. Hoe voor de hand liggend en eenvoudig ons deze rekenwijze moge schijnen en hoezeer ook de eerste sporen er van bij voorgangers van STEVIN hier en daar te vinden zijn, het is gebleken, dat een man van zijn ruimen blik, en te gelijk van zijne practische geestesrichting, noodig was, om haar tot eene zelfstandige methode te ontwikkelen, hare onmetelijke voordelen in te zien, en de tijdgenooten daarvan te overtuigen. En moet met niet den verreikenden blik van STEVIN bewonderen, waar hij, tweehonderd jaar vóór de invoering, reeds het tiendeelig stelsel van maten en gewichten bepleit, en met den uitroep "niet altijd zullen de mannen der toekomst een zoo groot voordeel verwaarloozen", de eindelijke invoering voorspelt!

Van hooger orde nog zijn STEVIN's verdiensten op het gebied der mechanica. In zijn drieledig werk: "De beghinselen der Weegconst. De Weegdaet. De beghinselen des Waterwichts" toont hij zich de evenknie en voorloper van GALILEÏ. Dertig jaren vóór diens be[p.5]roemde "Discorsi" ontkluistert hij deze wetenschap, slaakt de boeijen, waarin zij sedert ARCHIMEDES geslagen bleef, en doet haar eenige reuzenschreden voorwaarts gaan.

Bekwaam water- en vestingbouwkundige, vernuftig uitvinder, scherpzinnig wiskundige, voorstander en verbeteraar van het Italiaansch boekhouden, door hem aan MAURITS' hofhouding ingevoerd, sterrekundige, die het stelsel van COPERNICUS verdedigt en oorspronkelijke denkbeelden over eb en vloed ontwikkelt, taalkundige en wijsgeer, verschijnt ons STEVIN als een zeldzaam algemeen begaafd man van buitengemeen helderen en oorspronkelijken geest, als een der weinigen, die een stempel drukken op het tijdvak en het land, waarin zij verkeeren.


Zelf nimmer aan de Leidsche hoogeschool werkzaam, heeft STEVIN de hand gehad in de stichting (1600) der Ingenieursschool, die er mede verbonden werd, en de benoeming bewerkt van LUDOLF VAN CEULEN, den Hildesheimer, die zich eenige jaren vroeger te Leiden, als schermmeester, had nedergezet om aan die school te onderwijzen, "'in goede Duitse [d.w.z. Nederlandse] tale" en onder toezicht van den heer VAN DER MERWEN "de Telkonsten ende Landmeten, principalijk tot bevorderinge van degenen, die hen souden willen begeven tot het Ingenieursschap", "alles volgens de instructiën die zijne Excellentie daartoe hadde doen concipieeren ende door Mr. SIMON STEVIN overgesonden aan de curateurs der Universiteit*quot;. Universiteit". [3]

Hoog wetenschappelijk kan, volgens die instructiën, de opleiding dier ingenieurs moeilijk genoemd worden. Integendeel, zij getuigen van de oogenblikkelijke behoefte aan bruikbare ingenieurs in het legerkamp, die MAURITS gevoelde. Men moest hen "soo haest als mogelijk brengen om met der daed het land als ingenieurs te konnen dienen." Met zaken als het boloppervlak, "de forme genaemd ellipsis, hyperbel," enz. mochten zij niet worden lastig gevallen, "dat en is hier niet noodig, want het de ingenieurs seer zelden te voren komt," maar, voegt STEVIN er bij, "die soo verre gekhomen zijn, hebben zij alsdan lust de diepsinnige dingen grondelijker te onderzoeken, dat zullen zij mogen doen."

Met zulke instructiën wordt het begrijpelijker, dat LUDOLF VAN CEULEN zijne schermschool aanhield, ja zelfs, twee jaren later, een mono[p. 6]polie trachtte in het leven te roepen, en dit inderdaad verkreeg, toen hij "Brgemeesteren ende gerechte van Leyden" "ootmoedigh supplieerde" een zekeren Mr. PIETER BAILLY "zijn schermschoole te verbieden, dewijle hij, LUDOLF VAN COLEN, met grooten last ende veel kinderen beladen" was.

Hoe het zij, schermmeester of niet, LUDOLF VAN CEULEN was een bekwaam wiskunstenaar. Door zijne beroemde berekening van het getal pi tot in 35 decimalen, werd hij de schrik der zoogenaamde cirkelkwadrateurs, aan wier holle beweeringen en valsche bewijzen door toetsing aan zijne uitkomst voortaan gemakkelijk den bodem kon worden ingeslagen, en stelde zich daardoor tevens aan het hoofd dier talrijke schare van Hollandsche cijferaars, als LANSBERGE, METIUS, DE DECKER en vooral VLACQ, als wier geestelijke vader STEVIN door de invoering der tiendeelige breuken kan worden aangemerkt, en die aan de wetenschap dier dagen door het berekenen van wiskundige tafels, belangrijke diensten hebben bewezen.

Mannen echter van grooter beteekenis dan LUDOLF VAN CEULEN waren ALBERT GIRARD en WILLEBRORD SNELLIUS, beiden uitgevers en vertalers van STEVIN's geschrifen, gevormd door die geschriften en stellig ook wel door persoolijken omgang met STEVIN.

Van ALBERT GIRARD, den franschen uitgewekene uit Saint Mihiel in Lotharingen, die te Leiden in behoeftige omstandigheden overleed (1632) is weinig bekend. Men weet uit een schrijven van CONSTANTYN HUYGENS [4], die veel met hem op had, dat hij zich ook bezig hield met de leer van't licht, met de wiskundige toepassing der brekingswet. Het zijn echter zijne zuiver wiskundige beschouwingen, in de eerste plaats zijne "Nouvelle Invention en Algèbre," welke hem eene blijvende plaats in de geschiedenis der wetenschap verzekeren, en onze bewondering vergen wegens het door en door moderne zijner inzichen, wegens zijne gave, om telkens, door het bizondere heen, het algemeene te zien.


Met den reislust van WILLEBRORD SNELLIUS maakten wij reeds kennis. Tot zijn bejaarden vader teruggekeerd, volgt hij dezen in het hoogleeraarsambt op, waarin hij, tot aan zijn te vroegtijdigen dood op vijf en veertig-jarigen leeftijd, werkzaam blijft. Zijne niet [p. 7] onbelangrijke onderzoekingen op wiskundig gebied worden, dunkt mij, geheel overschaduwd door zijn verdiensten als geodeet en door zijne ontdekking van de wet der lichtbreking. Van af de graadmeting tusschen Alkmaar en Bergen-op-Zoom verricht, dagteekent de moderne geodesie haar ontstaan, en dat niet zoozeer wegens de verkregen uitkomst, die natuurlijk aan moderne eischen geenszins kan voldoen, dan wel om de methode, die, eenmaal in hare volle waarde erkend, de blijvende grondslag is geworden van elke later verrichte graadmeting. Op zijne methode grondt zich onze tegenwoordige kennis van de gedaante en afmeting der aarde.

En evenzoo rust het gansche gebouw der meetkunde van het licht (dioptrica) op de door SNELLIUS gevonden wet der lichtbreking. In hoeverre hij dezen roem met DESCARTES deelen moet, zal wel nimmer geheel tot opheldering geraken. Men heeft DESCARTES wel van plagiaat willen beschuldigen, maar ieder vermoeden daarvan moet, dunkt mij, wijken, voor den inhoud van een brief, [5] op het Trippenhuis aanwezig, waaruit zich met groote waarschijnlijkheid den weg en het tijdstip laten aanwijzen, waarop de kennis van SNELLIUS' onderzoekingen tot DESCARTES gekomen is.

Die brief is geschreven zes jaren na den dood van SNELLIUS, door diens opvolger in het hoogleeraarschap, GOLIUS. Deze schetst zijne verbazing en verrukking dat hij onder de handschriften van SNELLIUS onderzoekingen gevonden heeft, die de juistheid van DESCARTES' brekingswet, waaraan hij, GOLIUS, steeds nog aarzelde geloof te slaan, afdoende bevestigen. Zonder twijfel zal ook GOLIUS ook voor DESCARTES, met wien hij zeer bevriend was, [6] deze vondst niet hebben verzwegen; maar DESCARTES was toen reeds eenige jaren in het bezit der brekingswet, en had haar aan velen medegedeeld, ook aan GOLIUS zelven.

Hebben beide mannen alsoo de gewichtige ontdekking zelfstandig gedaan, op de vraag: "wie was de eerste", zal men het antwoord allicht immer moeten schuldig blijven. Het sterfjaar van SNELLIUS is 1626. In 1628 was DESCARTES stellig in het bezit der wet, en uit fragmenten van zijn Journaal, [7] over de jaren 1619 tot 1621, blijkt, dat reeds toenmaals de lichtbreking hem bezig hield, en de leidende gedachte gevonden was, die hem later tot de ontdekking voerde. Op welk oogenblik tussen 1620 en 1628 echter in DESCARTES' [p. 8] brein de vonk oversprong, en de wet voor het eerst in volle helderheid door zijn geestesoog gezien werd, is onmogelijk te zeggen.

Ondertusschen blijft evenwel tussschen DESCARTES en SNELLIUS dit gewichtige verschil dat DESCARTES, volgens eigen bekentenis, naar zijne wet nimmer een proefondervindelijk onderzoek van eenige beteekenis instelde, maar haar grondde op eene theoretische redeneering, die zelve, in elk geval, op onjuisten [8] grondslag rust, terwijl SNELLIUS hare juistheid, door talrijke waarnemingen, voldingend bewees.


Wij zijn thans gekomen aan het einde van de eerste der beide vrij scherp gescheiden perioden, waarin men den bloeitijd der wiskundige wetenschappen in Nederland verdeelen kan. Vervolgt men terugwaarts van de tweede de draden, die oorzaak en gevolg verbinden, dan vind men er slechts weinigen, die aan de eerste aansluiten, maar dan wordt men heengevoerd naar het derde en laatste verblijf van DESCARTES in Nederland, en den krachtigen invloed door hem, zoowel persoonlijk, als door tusschenkomst van FRANS VAN SCHOOTEN, hier te lande op de geesten uitgeoefend.

Naar Nederland gekomen (1629) om zijne persoonlijke vrijheid te heroveren, waarop te Parijs door al te warme vrienden te zeer beslag werd gelegd, en welke hij reeds eenmaal vergeefs getracht had te herwinnen door eene plotselinge verdwijning uit den kring dier vrienden, vond DESCARTES ten onzent inderdaad wat hij zocht, en wèl - naar hij aangeeft - tengevolge van eene eigenaardigheid van den Nederlandschen landaard. Was het in Frankrijk bij eene eerste kennismaking, tot groote ergernis van DESCARTES, dadelijk; "Monsieur, je viendrai vous voir (meneer, ik kom bij u op bezoek)," in Holland was men meer bescheiden. Hier kon DESCARTES zich naar hartelust in de eenzaamheid terug trekken, of, te midden van de bedrijvigheid van Amsterdam, zich eenzaam voelen, omdat ieder zich daar met zijne eigene zaken, en niet met die van anderen bezig hield.

Zoo rekte zich dan ook zijn verblijf tot volle twintig jaren, en het ware hem beter geweest, zoo hij de roepstem van koningin CHRISTINA naar Stokholm niet hadde gevolgd, waar het ruwe klimaat en de veranderde levenswijze zijn van nature zwak gestel spoedig sloopten.


Waarschijnlijk zal het in 1632 zijn geweest, dat de toen zeven[p. 9]tienjarige FRANS VAN SCHOOTEN, DESCARTES voor de eerste maal ten huize zijns vaders of van GOLIUS, beide hoogleeraren in de wiskunde te Leiden, ontmoette, Gedurende de talrijke bezoeken van DESCARTES te Leiden, en zijn vrij langdurig verblijf (1642) te Endegeest, is de betrekking tusschen hem en den huize VAN SCHOOTEN ongetwijfeld steeds vriendschappelijker geworden [9]. Enkele brieven bewijzen het, [10] en ook het (1644) door den jongen VAN SCHOOTEN geteekende, naar het mij voorkomt, niet zeer fraaie portret van DESCARTES, dat vóóraan de "geometria" prijkt, en waarvan DESCARTES zegt "je le trouve fort bien fait, mais la barbe et les habits ne ressemblent aucunement." [11] (ik vind het heel goed gemaakt. maar de baard en de trekken lijken helemaal niet).

Welke bekooring DESCARTES, toen in de volle kracht van zijn genie, op den begaafden, met veel aanleg voor de wiskunde bedeelden jongen man moet hebben uitgeoefend, kunnen wij afmeten uit de woorden waarmede MILLAT, een der jongste geschiedschrijvers van DESCARTES, den indruk samenvat, welke deze te Parijs achter liet, waar hij, even voor zijn vertrek naar Holland, vertoefde:

"Tous ceux qui peuvent l'approcher à cette époque et jouir de sa conversation sont tellement frappés de sa haute intelligence et de la puissance de ses facultés qu'ils voient en lui comme un être supérieur à l'humanité, chargé par Dieu même d'annoncer aux hommes des vérités nouvelles. MERSENNE, DE BEAUNE, DES ARGUES, BALZAC, le Cardinal de BÉRULLE subissent la fascination de son génie, et saluent en lui non seulement l'esprit le plus transcendant qu'on ait vu en mathématiques, mais le futur rénovateur des sciences et de la philosophie." [12] (Al diegenen die bij hem in de buurt konden komen en van zijn conversatie konden genieten, worden zodanig getroffen door zijn hoge intelligentie en de kracht van zijn (intellectuele) vermogens, dat zij in hem als het ware een bovenmenselijk wezen zien, door God belast met de taak aan de mensheid nieuwe waarheden te verkondigen. MERSENNE, DE BEAUNE, DESARGUES, BALZAC, kardinaal de BÉRULLE werden gefascineerd door zijn genie, en erkenden in hem niet alleen de meest verheven geest die men ooit in de wiskunde heeft gezien, maar ook de toekomstige vernieuwer van de wetenschappen en de filosofie.)

en merkwaardig genoeg, ontvalt ook aan onzen CONSTANTYN HUYGENS, na zijne eerste ontmoeting met DESCARTES, bijna dezelfde uitdrukking "quelque chose de surhumain" (iets bovenmenselijks) [13].

Behoeft het ons dan te verwonderen, dat de omgang met zulk een man van beslissende invloed is op FRANS VAN SCHOOTEN, en dat hij zich tot levenstaak kiest, op wiskundig gebied, de apostel dier nieuwe denkbeelden te zijn, ja zelfs dat hij nog vele jaren later, onder den indruk van die geweldige persoonlijkheid, blind blijft voor de enkele vlekken die het werk van den meester ontsieren, en moeite heeft te geloven, dat het een of ander aan zijne scherpe blikken zou zijn ontsnapt?

Een treffend getuigenis van dit laatste, vindt men in de correspondentie tusschen CHRISTIAAN HUYGENS en VAN SCHOOTEN. Wanneer [p. 10] HUYGENS aan VAN SCHOOTEN mededeelt, dat hij de juiste wetten der botsing heeft gevonden, en die van DESCARTES als valsch heeft leeren erkennen, antwoordt VAN SCHOOTEN: " dat het naauwelijks aanneembaar is, dat door zulk een buitengemeen en scherpzinnig vernuft iets in het licht zoude gegeven zijn, dat niet met de waarheid zou strooken", en gaat zelfs zoo ver, dat hij HUYGENS afraadt zijne wetten uit te werken en bekend te maken, om zijne krachten en tijd "niet onnut te verspillen", en "iets tot stand te brengen, wat aan zijn roem slechts zoude kunnen schaden". [14]

Dat HUYGENS zich daarop niet gewonnen gaf, spreekt wel van zelve. Reeds twee jaren vroeger had hij aan VAN SCHOOTEN geschreven: "Dat gij mij geloof weigert, waar ik u onlangs berichtte omtrent mijne nieuwste vondst, verheugt mij zeer, omdat die vondst mij van te meer gewicht schijnt, nu zij mij de gelegenheid aanbiedt naar mijn beste vermogen dat betreurenswaardige vooroordeel bij u te bestrijden, dat er u toe leidt, bij de woorden van DESCARTES te zweeren. Ofschoon ik steeds zijn bewonderenswaardig vernuft erkend heb, stel ik hem toch niet zóó hoog, dat ik het niet wenschelijk zoude vinden, de vinden [d.w.z. vondsten] die hij vaak, zonder bewijs, pleegde te beweeren, aan de waarheid te toetsen". [15]

Men zou al een zeer verstokt aanhanger van "heroworship" moeten zijn, om in deze woorden van HUYGENS iets berispelijks te vinden, en niet eenig vermoeden van het bestaan van een zekere beperktheid in VAN SCHOOTEN's inzichten bij zich te voelen opkomen. Inderdaad een groot wiskundige is VAN SCHOOTEN niet geweest. Zijne eigene ontdekkingen nemen eene zeer bescheiden plaats in de geschiedenis der wiskunde in. Toch vormen de verschijningen van enkele zijner geschriften "data" in die geschiedenis, niet echter door het eigen werk van VAN SCHOOTEN, maar door dat zijner leerlingen en vrienden, wier vernuftige invallen hij gewoon was er tusschen te strooijen, en wier geschriften hij er als aanhangsels aan toevoegde. Zóó de "Mathematische Oefeningen", die HUYGENS' arbeid "van Rekening in Spelen van vernuft" bevatten, zóó vooral de tweede uitgave (1659) der "Geometria" met de brieven van JOHANNES HUDDE en HENDRIK VAN HEURAET en de beroemde verhandeling van JOHAN DE WITT over de theorie der kromme lijnen.

In één opzicht kunnen de verdiensten van VAN SCHOOTEN naauwe[p.11]lijks te hoog worden aangeslagen, wat namelijk betreft den bezielenden invloed, die van zijn onderwijs en omgang is uitgegaan. Studenten in de rechten of de medicijnen, als JOHAN DE WITT, HENDRIK VAN HEURAET, en waarschijnlijk ook JOHANNES, HUDDE [16] om van CHRISTIAAN HUYGENS nog te zwijgen, weet hij op het pad der wiskunde te lokken. Zijn door en door modern onderwijs voert hen onmiddelijk op tot de volle hoogte, waartoe de wetenschap dier dagen gestegen is, en moge hij zelve ook ongeveer blijven staan bij de grenzen door DESCARTES bereikt, zij overschrijden die grenzen en worden de voorloopers en wegbereiders van de groote hervormingen door NEWTON en LEIBNITZ tot stand gebracht.

Over elk dezer vier mannen, HENDRIK VAN HEURAET, JOHAN DE WITT, JOHANNES HUDDE en CHRISTIAAN HUYGENS, die, zij het in ongelijke mate, den roem uitmaken van de tweede periode van den bloeitijd der wiskundige wetenschappen in Nederland, zij het mij nog vergund een kort woord te zeggen.


Van het leven van HENDRIK VAN HEURAET is al bitter weinig bekend. Te Haarlem geboren, vindt men hem in 1653 als twintigjarig student in de medicijnen in Leiden ingescheven, en vier jaren later met VAN SCHOOTEN, HUDDE, HUYGENS en den Belg SLUSIUS betrokken in een wedstrijd van wiskundige onderzoekingen, voor den vooruitgang der wiskunde dier dagen van groot belang, en waarin hij veel eer behaalt. In 1658 vertrekt hij met HUDDE naar Saumur, en schrijft daar de eenige wiskundige arbeid, die van hem in het licht verschenen is, [17] een arbeid, slechts eenige bladzijden groot, maar zeer voortreffelijk. Reeds daarin spreekt hij van andere studiën die hem in beslag nemen. Het volgende jaar te Leiden teruggekeerd, vind men hem weder als medicus ingeschreven. Verder wordt niet meer van hem vernomen. Is hij vroeg gestorven, of heeft uwe schoone wetenschap, collega's van de medische faculteit, den man van de wiskunde afvallig gemaakt, omtrent wien CHRISTIAAN HUYGENS schreef: "dat ick (HUYGENS) hem geeren van den tijdt die mij overigh is, soude bijsetten, indien ick daar tegen van (zijne) naerstigheijt, gelertheidt en geest deelachtigh mochte werden." [18]

Tot groote schade van den bloei der wiskunde is niet alleen VAN [p. 12] HEURAET, maar zijn ook JOHAN DE WITT en HUDDE spoedig in hoofdzaak andere wegen opgegaan. Inderdaad men staat verbaasd hoe JOHAN DE WITT, op twee en twintigjarigen leeftijd, als advokaat aan het Hof van Holland, zich door zijne schranderheid en welbespraaktheid den naam van "het wonder van Holland" verwervende, drie jaren later pensionaris van Dord, op zeven en twintigjarigen leeftijd (1653) raadpensionaris van Holland, zelfs in deze laatste betrekking, nog tijd en belangstelling over heeft, om zich met de beoefening der wiskundige wetenschappen bezig te houden. En toch, ten bewijze daarvan, strekt niet alleen het een jaar voor zijn dood verschenen geschrift over lijfrenten, waarin DE WITT, voor de eerste maal, de toen nog jeugdige wetenschap der waarschijnlijkheidsrekening tot praktische doeleinden dienstbaar maakt, maar men heeft daarvoor ook het getuigenis van CHRISTIAAN HUYGENS, die in 1659 van hem schrijft: "Il est bien scavant en la Géométrie et en l'Algèbre et s'y exerce tousjours non obstant les grandes affaires qu'il a sur les bras", [19] (hij is heel geleerd in de meetkunde en de algebra, en oefent er dagelijks in, ondanks de grote zaken die hij onder handen heeft), die in 1662 genoegen schept in de wijze waarop DE WITT, door het opstellen van 14 of 15 tegenwerpingen tegen VOSSIUS' geschrift "over de natuur van het licht", dezen heeft vastgezet, [20], die het volgend jaar een langdurig gesprek voert met DE WITT over een zeer abstracte wiskundige methode, [21] en die eindelijk in 1665 van DE WITT oplossingen van vraagstukken van waarschijnlijkheidsrekening ontvangt. [22]

Waarlijk, krachtiger bewijs voor de, trouwens bij zijne tijdgenoten spreekwoordelijke, werkkracht van den grooten Raadpensionaris is wel niet mogelijk.

Ongelukkig genoeg is van de werkzaamheid van DE WITT op wiskundig gebied slechts een deel tot ons gekomen. Een ander deel is voor goed verloren of ligt te sluimeren op het Rijksarchief of elders.

Wanneer men toch leest in den geleidbrief (8 October 1658), waarmede DE WITT de toezending van zijn vernuftig geschrift "over de elementen der kromme lijnen" vergezeld doet gaan, hoe hij aan VAN SCHOOTEN slechts doet toekomen datgene wat uitgeschreven en in orde gebracht is, terwijl hij het overige, dat ongerangschikt is, zal bijeenzoeken en in orde brengen, "als de ernstiger zaken het veroorloven" en wanneer men dan den inhoud van dit geschrift vergelijkt met den omvang van het gebied waarover, blijkens dien geleidbrief, en blijkens een belangrijk schrijven [23] aan HUYGENS, zich de onder[p.13]zoekingen van DE WITT hebben uitgestrekt, dan komt men tot het besluit dat het juist dit "ongerangschikte" is wat men het liefst zoude willen kennen en waardoor stellig een deel van den roem later door NEWTON met zijne onderzoekingen over de kromme lijnen van hoogeren graad geoogst, aan DE WITT zoude zijn ten goede gekomen.


En met JOHANNES HUDDE staat het al eveneens geschapen als met DE WITT.

In Februari 1697 schreef LEIBNITZ aan JOHANNES BERNOULLI: "Zeker indien HUYGENS nog leefde en welvoer, hij zou niet rusten voor hij uw vraagstuk had opgelost. Nu is er niemand van wien ik die oplossing verwacht, behalve van den markies d'Hospital, van uw broeder, of van NEWTON, aan dewelken ik toevoegen zoude den Amsterdamschen burgemeester HUDDE, indien deze niet voorlang van dergelijke onderzoekingen had afgezien". [24]

Dit uiterst gunstig oordeel over HUDDE's wiskundig vernuft, grondde zich niet alleen op het betrekkelijk weinige wat van HUDDE, reeds voor ongeveer veertig jaren, in druk verschenen was, maar voor een groot deel op de inzage van HUDDE's manuscripten. In November 1676 has LEIBNITZ, bij zijn terugkeer uit Engeland, den Amsterdamschen burgemeester opgezocht, en blijkbaar veel en lang met hem gesproken [25]. De oude liefde voor de wiskunde was bij HUDDE weer ontwaakt, de stoffige manuscripten werden voor den dag gehaald, wier inhoud in hooge mate LEIBNITZ' bewondering opwekte. Toch liep het gesprek niet over wiskunde alléén. Wij weten, hoe HUDDE aan LEIBNITZ de inrichting der Amsterdamsche regeering uiteenzette, en hem verhaalde, hoe hijzelf het vorig jaar een der vier burgemeesters, thans thesaurier-ordinarius der stad was. Allicht voerde hij zijn belangstellenden gast naar de Amstelsluizen vóór twee jaar, mede onder HUDDE's leiding gebouwd, zette hem de maatregelen uiteen het vorig jaar onder zijn bestuur voor de waterverversching van Amsterdam genomen, of schetste hem de plannen voor de nieuwe waterkeering langs het IJ, enkele jaren later tot stand gebracht, liet hem in geen geval vertrekken zonder een diepen indruk van de grootheid van Amsterdam en van de vele beslommeringen harer bestuurders.

Inderdaad, wanneer men, met WAGENAAR in de hand, nagaat hoe [p.14] HUDDE van 1667 tot aan zijn overlijden (1704) bijna aanhoudend als raad, als schepen, als thesaurier extra-ordinaris en ordinaris, als gecommitteerde in de admiraliteit, als burgemeester, aan de regering van Amsterdam aandeel, en een zeer werkzaam aandeel, heeft genomen, hoe hij de laatste twintig jaren van zijn leven de burgemeestersplaats vervulde zoo vaak de bestaande regeling het slechts toeliet, dat is, twee van elke drie jaren, dan begrijpt men, dat de beoefening der wiskunde daaronder te loor ging, en de handschriften onafgewerkt liggen bleven.

Daarbij komt dat een praktische levensrichting van den aanvang af aan HUDDE schijnt eigen geweest te zijn. Reeds in zijne jonge jaren zien wij hem telkens de meening uitspreken dat slechts zulke problemen verdienen ter hand genomen te worden, waar "nut in te bespeuren is," [26] de overigen zijn hem, hoe vernuftig ze mogen zijn, zooals hij het met zeventiende-eeuwsche eenvoudigheid uitdrukt, "niet een olykoeck waert", [27] en wat later beroept hij zich op zijne "oude maxime" "waar na ik noyt mij tot het calculeren begeef, of immers zelden anders, als dan alleen, wanneer ik mijn tijt niet beter, noch vermaekelijker weet te besteden." [28] Toch ging bij hem telkens de natuur boven de leer, want - merkwaardig genoeg - is in HUDDE's arbeid, van welke beteekenis ze ook moge geweest zijn voor de ontwikkeling der wiskundige methoden, van dat streven naar direkt nut [29] uiterst weinig - veel minder dan bij HUYGENS - te bespeuren.


In tegenstelling tot JOHAN DE WITT en JOHANNES HUDDE is het aan CHRISTIAAN HUYGENS, door een samenloop van gunstige omstandigheden, vergund geweest zijn geheele leven zuiver en alleen aan het nasporen der wis- en natuurkundige waarheden te wijden, daarin door geenerlei beroepsbezigheden gestoord, slechts door een eenigszins zwakke gezondheid min of meer in zijne vlucht belemmerd.

CHRISTIAAN HUYGENS heeft dan ook niet alleen, als HUDDE en VAN HEURAET, en meer dan een van hen beiden, tot de wegbereiders behoord van de hervorming door NEWTON en LEIBNITZ voltooid, maar hij heeft die hervorming aanschouwd, het essentieele er van in eigen geest tot ontwikkeling gebracht, en met grooten roem deel genomen [p.15] aan dien gedenkwaardigen problemenstrijd, die het einde der zeventiende eeuw kenmerkt.

Toch ligt niet eens zijne grootste verdienste op zuiver wiskundig gebied. Wat hem boven al zijne tijdgenooten, met uitzondering alleen van NEWTON, verheft, het is die wonderbare vereeniging van den wiskundige, den experimentator, en den natuurphilosoof, van den abstracten denker, den scherpen waarnemer, den handigen werkman en den wijsgeer, die in de oorzaak der verschijnselen zoo diep mogelijk tracht door te dringen.

Oorspronkelijk in de school van VAN SCHOOTEN tot een uitstekend wiskundige gevormd, brengt een wiskundig juiste opmerking omtrent de theorie van de lichtbreking, die echter, door het bestaan der kleurschifting, tot een physische dwaling wordt, hem aan het lenzenslijpen.

De dwaling ziet hij in, maar ondertusschen heeft hij verrekijkers leeren vervaardingen, die alles overtreffen, wat bestond, en wordt hij de ontdekker van Saturnus' satelliet en ring.

Hand aan hand gaan nu theorie en praktijk bij zijne verdere onderzoekingen omtrent den besten bouw der verrekijkers. Maar de kennis der brekingswet van het licht, waarop alles berust, is hem niet genoeg, hij wil ook de oorzaak kennen, welke achter die wet verscholen ligt, en wordt de ontwerper der beroemde undulatietheorie van het licht.

Zoo voert ook de bij uitstek praktische uitvinding van het slingeruurwerk hem tot wis- en werktuigkundige onderzoekingen van de hoogste theoretische waarde. Een anders bedacht uurwerk, van minder praktische betekenis, brengt hem aan 't nasporen der wetten van de middelpuntvliedende kracht en tot overpeinzingen omtrent de natuur der zwaartekracht.

Maar de eischen, die ik aan uwe aandacht stellen mag, verbieden mij op deze dingen verder in te gaan. Wilt dus voor lief nemen, wat ik u heden gaf, en mij verschoonen, zoo ik mocht hebben misgetast in de keuze van hetgeen ik meende, dat op uwe belangstelling aanspraak maken mocht.



[p.16]
AANTEEKENINGEN

1. Zie omtrent deze bouwstoffen Prof. BIERENS DE HAAN's Bibliographie de l'histoire des sciences mathématiques aux Pays-Bas opgenomen in de Bibliotheca mathematica, 1891, 5, p. 13. Terug.

2. Oeuvres complètes de CHR. HUYGENS, Tome VI, p. 148. Terug.

3. Deze en verdere bizonderheden omtrent LUDOLF VAN CEULEN zijn ontleend aan RAMMELMAN ELSEVIER's opstel in de werken van het Utrechts Historisch Genootschap, Kronijk, 1846, p. 351, getiteld: "Over Mr. LUDOLF VAN CEULEN, als schermmeester en hoogleeraar in de wiskunde te Leiden." Terug.

4. De brief is gericht aan GOLIUS, die kort te voren te Leiden als opvolger van SNELLIUS was benoemd. Hij is gedateerd 19 Dec. 1629, en bevindt zich in handschrift op het Trippenhuis. Vergelijk mijn opstel over CONSTANTYN HUYGENS, als beminnaar der stellige wetenschappen. Verslagen en Mededelingen der Kon. Akad. van Wet. 3e reeks, deel 4, p. 253 en 257. Terug.

5. Men vind het belangrijkste gedeelte van dien brief afgedrukt in mijn boven aangehaald opstel over CONSTANTYN HUYGENS en nog iets meer in de Fransche vertaling er van in de Archives Neérlandaises, T. XXII, p. 428. De brief is gericht aan CONSTANTYN HUYGENS en gedateerd 1 Nov. 1682. Terug.

6. Zelfs stond GOLIUS met DESCARTES in briefwisseling over de brekingswet. Dit blijkt uit een brief van 2 Febr. 1632 van DESCARTES aan GOLIUS, aanwezig te Leiden, waarvan slechts een gedeelte zonder datum of adres afgedrukt is bij COUSIN, Oeuvres de DESCARTES, T. 6, p. 220. (Het is Ep. LXX der oorspronkelijk Latijnsche uitgave, Pars II). In dien brief geeft DESCARTES uitvoerig aan, hoe de wet proefondervindelijk zou kunnen getoetst worden. Het is dus wel nagenoeg ondenkbaar dat GOLIUS in November zijne vondst niet aan DESCARTES zou hebben medegeleeld. Zoo verklaart zich de verzekering van CHRISTIAAN HUYGENS, dat DESCARTES inzage had gehad van de manuscripten van SNELLIUS zonder dat daaruit tot plagiaat besloten mag worden. Wel heeft dan DESCARTES bij de uitgave van zijne "Dioptrique" in 1637, geweten wat SNELLIUS had verricht en er toch geen melding van gemaakt. Terug.

7. Uitgegeeven door FOUCHER DU CAREIL, Oeuvres inédites de DESCARTES, aldaar, 1e partie, p. 46. Terug.

8. Immers moet DESCARTES aannemen voor zijne redeneering, dat de snelheid van het licht in het dichtere medium de grootere is. Terug.

9. Zie COUSIN, Oeuvres de DESCARTES, T. 8, p. 142, 147; T. 9, p. 139; T. 10, p. 313, 316 en voorts een brief van den jongen VAN SCHOOTEN aan DIRK REMBRANTZ VAN NIEROP, afgedrukt in Oostwoud's Mathematische liefhebberije met het maandelijksche nieuws der Fransche en Duytsche schoolen (aldaar deel 3, p. 155 van het maandelijksche nieuws), waarin VAN SCHOOTEN vermeldt, hoe hij er bij tegenwoordig was toen DESCARTES zeer beleefde en dringende brieven van CHRISTINA VAN ZWEDEN ontving om hem over te halen naar Zweden te komen, "gelijk ik zelfs wel heb konnen lezen als doenmaals tot Egmont-binnen zijnde, wanneer hij dezelve kwam te ontvangen." Terug.

[p. 18] 10. De gelijknamigheid van vader en zoon heeft reeds meermalen verwarring gesticht. Zoo heeft Prof. BIERENS DE HAAN uit het randschrift van het bedoelde portret opgemaakt, dat de vader de teekenaar en graveur was. (Bouwstoffen voor de geschiedenis der wis- en natuurkunde wetenschappen in de Nederlanden, XIII). Dit randschrift luidt inderdaad " FRANCISCUS á SCHOOTEN, Pr. Math. ad vivum delineavit et fecit: Anno 1644" en in 1644 was de jonge FRANS nog geen "Professor Matheseos," maar het kan natuurlijk van later datum zijn als het portret zelf. Toen de Geometria toch verscheen, in 1649, was VAN SCHOOTEN, de zoon, reeds Hoogleeraar en wordt dan ook op den titel zoo genoemd.
De kwestie wordt, mijns inziens, beslist door den brief van DESCARTES aan v. SCHOOTEN voorkomende bij COUSIN, Oeuvres de DESCARTES, T. 14, p. 336. Deze strekt tot antwoord op een schrijven van 10 Maart 1649 (T. 14, p. 313) van VAN SCHOOTEN. De vader was toen reeds overleden, hij is dus gericht aan den zoon. In dien brief schrijft DESCARTES: Pour le portrait en taille doux vous m'obligez plus que je ne mérite d'avoir pris la peine de le graver, etc. Terug.

11. COUSIN, Oeuvres de DESCARTES T. 10, p. 318. Terug.

12. J. MILLAT, Histoire de DESCARTES avant 1637, p. 145. Terug.

13. Zie omtrent de verhouding tussen CONSTANTYN HUYGENS en DESCARTES het in noot 4) aangehaalde opstel. Terug.

14. Oeuvres complètes de CHRISTIAAN HUYGENS, Tome I, p. 302. De bedoelde woorden luiden: " Vix enim fieri puto quicquam à sublimi ac perspicacissimo isto ingenio in lucem proditum esse, quod veritati non sit consentandum. Praesertim cum dictae regulae ei tam perspectae fuerint, ut sibi mirum videri haud semel asseruerit, qua pacto aliquis de illarum veritate ambigere possit. Quapropter Tibi autor esse minime nolim, ne quid existimationi tuae detrimenti moliaris, ut demonstrationibus illis concinnandis supersedeas potius, quam tempus atque industrium tuam inutiliter impendas." (27 Oct 1654) Terug.

15. O. c. de CHR. HUYGENS, Tome III, p. 457: "Quod fidem mihi ..... manifestum fuerint qum tibi cum adveneris exhibiturus sum. (7 nov. 1652) Terug.

16. Op 1 Mei 1644 vind men te Leiden in het album Academicum ingeschreven als jurist JANUS HUDDE (zóó moet, volgens de mij welwillend door Dr. DE RIET verstrekte inlichting, in het manuscript de naam gelezen worden, die staat afgedrukt als JONAS), Amstelodamensis, 21 (jaar). Nu is het geboortejaar van burgemeester HUDDE lang onbekend geweest. Door de vriendelijke hulp van Mr. VEDER, archivaris der stad Amsterdam, is het mij echter mogelijk dit punt tot beslissing te brengen. Blijkens de kerkelijke registers is JOHANNES HUDDE op 16 Jan. 1673, als regerend burgemeester, ondertrouwd met DEBORA BLAAUW, en gaf hij zich daarbij op als zijnde 49 jaar. Dit komt dus uit. Wel leefde er in 1653 blijkens WAGENAAR te Amstedam ook een JOHAN HUDDE, die toen Commissaris was van kleine zaken aan het stadsbestuur, maar die zal het dus wel niet geweest zijn, die op 8 mei 1644 ingeschreven werd. Terug.

17. Opgenomen door VAN SCHOOTEN, in de tweede editie (1659) der [p. 19] " Geometria a RENATO DESCARTES", onder den titel: "Epistola de curvarum linearum in rectas transmutatione." Terug.

18. Oeuvres compl. de CHR. HUYGENS, Tome II, p. 127. Terug.

19. O. c. de CHR. HUYGENS, Tome II, p. 411. Terug.

20. O. c. de CHR. HUYGENS, Tome IV, p. 159 en 163. Terug.

21. O. c. , Tome IV, p. 311. De methode van het aanbrengen van tangenten aan algebraïsche kromme lijnen. Terug.

22. O. c. , Tome V, p. 305. Terug.

23. O. c. , Tome II, p. 411. Terug.

24. Commercium epistolicum LEIBNITZII et BERNOULLII,, Tom. I, p. 247, waar men leest: Certe si Hugenius viveret et valeret, vix quiesceret nisi problemate tuo soluto. Nunc nemo est a quo solutionem facile expectam, nisi a Duo Marchione Hospitalio, aut a Duo Fratre tuo, aut a Duo Newtono, quibus adderem Duum Huddenium Consulem Amsterodamensem, nisi dudum has meditationes seposuisset. Het bedoelde vraagstuk is dat der lijn van de snelste afdaling (brachistochroon). Terug.

25. In het Commercium epistolicum J. COLLINS, et aliorum p. 146 vind men, ingelascht in een brief van COLLINS aan NEWTON, een uittreksel uit een brief van LEIBNITZ aan OLDENBURG van 28 Nov. 1676, waaruit het volgende is ontleend. "Amstelodami" schrijft LEIBNITZ "cum Huddenio locutus sum: cui negotia civilia temput omne eripiunt. Est enim ex numero 12 urbis consulum, qui subinde imperium obtinent. Nuper Consul Regens erat; nunc thesaurii munus exercet. Praeclarus admodum in ejus schedis superesse certum est. Methodus tangentium a SLUSIO publicata dudum illi fuit nota. Amplior eius methodus est, quam quae a SLUSIO fuit publicata. Sed et quadratura hyperbolae Mercatoris ipsi jam Anno 1662 innotuit." Verder leest men in hetzelfde werk p. 150 in een brief van LEIBNITZ aan Oldenburg van 21 Juni 1677: "Problema est perelegans cujus meminit, curvam describere quae per data quaecunque transeat puncta. Huddenius mihi Amstelodami dixit, posse se curvam describere analiticam, seu certa aeuqatione uniformi constantem, quae Facei Hominia cujusdam noti lineamenta designet." Zou HUDDE in het bezit geweest zijn van de interpolatieformule van LAGRANGE? (Zie bijv. LOBATTO's Lessen over de Hoogere Algebra in het Hoofdstuk: Over de rekenkundige reeksen van hoogere orde.). Terug.

26. Oeuvres compl. de CHR. HUYGENS, Tome II, p. 102. Terug.

27. Ten bewijze dat ik niet overdrijf, en HUDDE bepaald praktisch nut op het oog had, citeer ik een gedeelte van zijn brief aan v. SCHOOTEN van 1 Dec, 1657, te vinden Oeuvres compl. de CHR. HUYGENS, Tome II, p. 101. "Maar nu versoeck ick, datse (d. i. VAN HEURAET, HUYGENS, SLUSIUS) my noit diegelycke problemata weer komen voor te stellen, dewyl ick de tyd veel te kostlyck acht, als dat ickse in soodanige nutteloose questien zouw besteden; en ik wens haer Ed. toe, nevens een lang en gezond leven, dat ze niet alleen ter hand mogen nemen sodanige Problemata ubi inventio praecipua est, et calculus non difficilis, sed etiam utilis humano generi, en datze alle andre standvastelijck vander hand afwijzen, en ons also in plaats van vruchteloose questien, die niet een olykoeck waert zijn, mogen aanden dach brengen en solveren soodanigen daer het gemeen aan gelegen is, dewijl er van dien aart noch genoech te vinden zijn, maar dese afgedaen sijnde, dan zal ik 't niet qualik nemen datse tot andere, die alleen in speculatie bestaen, overgaen. Immer ik ben geresolveert dit, zoo't in mijn macht is, op het naukeurigste te practiseren."

Dit citaat kan tevens dienen tot een staaltje van zijne breedsprakigheid die zoo in contrast is met de beknoptheid en eenvoudigheid van HUYGENS' stijl. Dit komt vooral in hunne correspondentie over problemen van waarschijnlijkheidsrekening in 1665 gevoerd. Inderdaad staat men eenig[p.20]zins verbaasd als men bij naauwkeuriger onderzoek ontdekt, dat de kern dier breedsprakigheid zoo gezond is, en uit juiste en vernuftige wiskundige redeneeringen en becijferingen bestaat. Waarschijnlijk behoorde HUDDE tot die menschen, die zich den tijd niet gunnen om kort te zijn. Terug.

28. Oeuvres complètes de CHR. HUYGENS, Tome V, p. 380. De brief is aan HUYGENS en van 29 Juni 1665. Terug.

29. Van praktischen aard waren evenwel zijne bemoeijingen met het tarief der lijfrenten. Dat zijne inzichten daaromtrent op prijs werden gesteld, bewijst de aan hem gevraagde goedkeuring der lijfrenten-berekeningen van JOHAN DE WITT, voortkomende in diens "Waerdye van lijfrenten naar proportie van losrenten," 1671, herdrukt in 1879 door het wiskundig genootschap. Verder blijkt uit de correspondentie van HUYGENS dat HUDDE zich ook met het vervaardigen van verrekijkers bezig hield en wel in samenwerking met SPINOZA (Oeuvres complètes de CHR. HUYGENS, Tome VI, p. 151, 155, 215). Deze laatste omstandigheid geeft mij tevens de vrijmoedigheid om hier de gissing uit te spreken dat de adressaat van drie bekende brieven van SPINOZA, door Dr. VAN VLOTEN en LAND als aan HUYGENS gericht beschouwd, en als zoodanig ook, onder reserve, opgenomen in het zooeven aangehaalde, nog niet verschenen, zesde deel der HUYGENS uitgave, (onder No. 1513. 1531 en 1541) niemand anders is dan HUDDE. Vóór HUDDE en tegen HUYGENS pleit vooreerst de omstandigheid dat deze brieven, blijkens de bijvoeging "versio" der eerste Latijnsche uitgave, in het Hollandsch geschreven zijn. Beiden, HUYGENS en SPINOZA, schreven gemakkelijk in het Latijn en het lag voor de hand deze taal te kiezen ter wille van het onderwerp. HUDDE echter, al verstond hij Latijn, was blijkbaar niet op het ontvangen en schrijven van brieven in die taal gesteld, zooals de brieven van hem en aan hem, die in de HUYGENS' uitgave voorkomen, bewijzen, welke alle in het Hollandsch geschreven zijn. Verder vallen de brieven, gedaterd 7 Januari, 10 April en Mei of Juni 1666 juist in het tijdperk van HUYGENS' verhuizing naar Frankrijk. (HUYGENS vertrok daarheen op 21 April). Het is niet waarschijnlijk dat hij in dit veelbewogen tijdperk deze discussie over een van SPINOZA's bewijzen betreffende diens wijsgeerig stelsel zou hebben gevoerd, terwijl er ook overigens in HUYGENS' uitgebreide correspondentie niets voorkomt dat eenigszins bij zulk eene discussie aansluit. Eindelijk heeft SPINOZA in de dioptrische kwestie, die in den laatste brief ter sprake komt, groot gelijk, en is het bij de kennis, die wij uit de correspondentie van HUYGENS' omtrent diens meeningen en onderzoekingen tot dien tijd op het gebied der dioptrica bezitten, bijna niet aan te nemen dat HUYGENS het bestreden gevoelen zou hebben uitgesproken, het mocht dan zijn dat SPINOZA hem geheel verkeerd begrepen had.

Wegens de verwijzing naar de "parva tua dioptrica" zou men den correspondent van SPINOZA in de eerste plaats willen zoeken onder de Hollandsche schrijvers van dioptrica's. Daar er echter niets gedrukts te vinden schijnt, dat aan den eisch beantwoordt, moet men wel aan dioptrica's in handschrift denken; en dat HUDDE zulk eene dioptrica vervaardigd, en aan SPINOZA ter inzage gegeven had, is verre van onwaarschijnlijk. Terug.


Jan Hogendijk <J.P.Hogendijk at uu.nl>
october 2005